Verspringen

Door: Roy Nijkamp, 04 Februari 2014 14:54, views: 1663

De regels
De verspringbanen bestaan uit het aanloopgedeelte, een afzetbalk en een springbak. De minimale lengte van het aanloopgedeelte is 40 meter. Het einde van het aanloopgedeelte wordt gemarkeerd door de afzetbalk, die 20 cm breed is. Minimaal 1 meter en maximaal 3 meter achter de afzetbalk ligt de springbak, die gevuld is met zand.

Het is de bedoeling om zover mogelijk in de springbak te springen. De gesprongen afstand wordt gemeten tussen de achterste indruk in de springbak en de rand van de afzetbalk (loodrecht hierop).

De atleten mogen ieder 3 keer proberen om zover mogelijk te springen. De beste sprong telt. Als de voet van de atleet de afzetbalk overschrijdt bij het afzetten, is de gesprongen afstand ongeldig. Tevens geldt dit als een poging. Verder is het verboden om door de bak terug te lopen. Je moet altijd meteen aan de zijkant de bak verlaten. Als je dit niet doet, is de sprong ongeldig.

Voor de veiligheid moeten de kuilen die door de springers worden gemaakt regelmatig dichtgeharkt worden. Om beter te kunnen zien of de atleet wel voor de balk afgezet heeft, is er na de balk een plasticinebalk aangebracht. Dit laagje plasticine steekt 7 mm boven de balk uit. Als de atleet de balk overschrijdt, maakt hij een afdruk in de plasticine en wordt zijn sprong afgekeurd.

Materiaal
Voor verspringen heb je schoenen nodig waar je veel grip mee hebt en dus goed mee kunt afzetten. Bijna altijd worden hiervoor spikes gebruikt. Spikes zijn speciale schoenen met kleine nopjes. Op de speciale ondergrond van de atletiekbaan hebben atleten die spikes gebruiken meer grip. Hieronder zie je een plaatje van de zool van een verspringspike.

Techniek
Bij verspringen moet je rekening houden met de regel dat de achterste afdruk in de springbak geldt voor de meting van de afstand.Als je geland bent, moet je dus niet naar achter vallen!

Let er bij deze sprong op dat je strak voor je uit blijft kijken en trek je opzwaaibeen pas bij in het dalende gedeelte. Als je het springen onder de knie hebt, kan je de aanloopafstand vergroten naar 9-11 aanloop passen.

Let er hierbij op dat je telkens met hetzelfde been begint met aanlopen. Markeer het punt waar je start. Mocht je niet goed uitkomen bij het afzetten, verplaats je startpunt dan iets. Let ook bij de langere aanloop op de afzet en de sprong. Je afzetbeen moet zich steeds volledig strekken en het zwaaibeen moet flink omhoog zwaaien.

Wedstrijdreglement voor pupillen
Bij het verspringen moet worden afgezet vanuit of voor een wit gemarkeerd vlak, waarvan de lengte en breedte resp. 0,80m en 1,22m moeten bedragen. Gezien vanuit de looprichting, vormt de afzetlijn in het afzetvlak de achterste grens van het vlak en ligt het dichtst bij de landingsbak (zie tekening).

De afstand tussen het afzetvlak en de rand van de landingsbak moet circa 0,50m zijn (in verband met veiligheid). De afzet in het vlak en de afzet voor het vlak, zowel gedeeltelijk in het vlak en gedeeltelijk voor het vlak worden goedgekeurd.

De afstand moet worden gemeten vanaf de dichtsbijzijnde indruk in het zand tot aan de voorzijde van de voetafdruk. Als wordt afgezet voor het afzetvak, moet de afstand worden gemeten tot aan de rand van het afzetvlak, die het verst van de zandbak verwijderd is.